DPP-IV/CD26, het 'Moonlighting enzym'
DPP-IV of Dipeptidyl peptidase-IV is het enzym dat de opioïde peptiden van exogene oorsprong (exorfinen) afbreekt en behoort tot de serine proteasen (aminopeptidase). DPP-IV heeft een membraangebonden aanwezigheid en is aangetoond in lever, long, nier, darmslijmvlies, mond, lymfocyten, huid, prostaat en endotheelcellen. Ook een oplosbare extracellulaire vorm van DPP-IV is in de circulatie aangetoond en blijkt onverminderd enzymatisch actief. In de onderstaande tabel zijn een aantal catalytische functies van DPP-IV/CD26 weergegeven.
Een aantal DPP-IV/CD26 functies (bron: CD26, let it cut or cut it down, prof. Ingrid De Meester,)
Andere benamingen voor DPP-IV zijn 'adenosine deaminase complexing protein 2' en CD26. CD staat voor 'cluster of differentiation' of 'cluster of designation' wat een protocol is voor de identificatie van moleculen op het celoppervlak van leukocyten (witte bloedcellen). CD moleculen kunnen zich gedragen als receptor of ligand (molecule die de receptor activeert). DPP-IV verandert in CD26 als het betrokken wordt bij de T-cel activatie in het immunologisch proces. T-lymfocyten (T-cellen) vormen een belangrijk onderdeel van het specifieke immuunsysteem (cellulaire immuunrespons). De functie van T-lymfocyten bestaat uit het herkennen van "niet lichaamseigen" antigenen. T-lymfocyten kunnen alleen antigenen herkennen als de antigenen als het ware "gepresenteerd" worden aan de T-lymfocyt, dit proces heet antigeen presentatie. Eenmaal de indringer geïdentificeerd is, gaan de T-lymfocyten deze vernietigen.
Kwik en DPP-IV
Absorptie van kwikdampen (longen) en organische kwik (maag-darm kanaal) bron
Kwik is een van de meest potente DPP-IV remmers, vaak in combinatie met een tekort aan L-cysteïne, zink, vitamine B6/C en metallothioneïne. Bij een recent Amerikaans onderzoek naar de aanwezigheid van kwik in voedingsartikelen (55 merknamen), had de helft aantoonbare hoeveelheden kwik, waarvan sommige producten de dagelijkse toegelaten norm ruim overschreden. (bron 1, 2, 3 en 4)
Als het lichaam het kwik niet (meer) kan elimineren, treden er compensatie mechanismen op. Een daarvan is het ontwikkelen van candida. Candida is een schimmel die van nature bij iedereen in de darm aanwezig is. Bij lichamelijke verzwakking, gebruik van antibiotica en ontstekingremmers verliest de darmflora zijn natuurlijke bescherming en hebben de schimmelcellen kans om zich te gaan uitbreiden. Candida is tevens een goede leverancier van metallothioneïne dat op zijn beurt het organische kwik kan elimineren. Candidacellen doen dit door kwik intracellulair op te gaan nemen. Bij gebruik van antimicotica (schimmelremmers) is het dan ook aanbevolen om het vrijgekomen kwik te obsorberen d.m.v. houtskool capsules, dit om een Herxheimer reactie te voorkomen.
Een andere potente DPP-IV remmer is te vinden bij de organofosfaten, de meest gebruikte pesticide in gewasbouw.
DPP-IV en wiegedood
Wiegedood of SIDS (Sudden Infant Death Syndrome) is de oorzaak van overlijden bij baby's tussen het einde van de eerste maand en een jaar. (Brooks 1982)
Onderzoek (Sun et al. 2003) toonde aan dat alle kinderen met wiegdood één kenmerk gemeen hebben, namelijk melk dat hun enige voedingsbron is. Bij de meeste baby's die overleden zijn aan SIDS werden hoge concentraties β-Casomorphin 7 (BCM-7) aangetroffen, BCM-7 is een van de opioïde peptiden uit melk die normaal gezien wordt geneutraliseerd door DPP-IV. Eenmaal BCM-7 de bloedbaan bereikt wordt het niet gehinderd door de bloed-hersen-barièrre omdat deze filter tegen ongewenste stoffen bij baby's nog niet (goed) werkt. BCM-7 gaat via de hersenstam (primitieve hersenen) (Pasi, Mahler, Lansel et al., 1993) het zenuwstelsel verstoren en kan een een ademhalingsdepressie of ademhalingsstilstand veroorzaken met de dood als gevolg. BCM-7 kan via de moedermelk en niet-humane melk (Wilson, Self & Hamburger, 1990) doorgegeven worden. bron
DPP-IV, slaapapneu en andere ademhalingsproblemen
Zoals we eerder zagen heeft β-Casomorphin 7 (BCM-7) een deprimerend effect op de ademhaling. Bij verschillende van onze cliënten met slaapapneu, maar ook met klachten zoals een 'stokkende' ademhaling zijn verhoogde BCM-7 waarden aangetroffen. De klachten verdwenen na een eliminatiedieet en suppletie met DPP-IV.
DPP-IV/CD26 en psoriasis
Psoriasis is gekenmerkt door een glutenovergevoeligheid en een DPP-IV/CD26 tekort. bron
DPP-IV/CD26 en CVS
Klimas et al. bv. meldden een significante uitbreiding van CD26 geactiveerde T-cellen bij CVS-individuen (*) Deze multifunctionele molecule speelt een belangrijke rol bij de regulering, ontwikkeling, rijping en migratie van T-helper (Th) en ‘natural killer’ (NK) cellen. Daarenboven wordt abnormale expressie van CD26 gevonden bij de meeste autoimmuun ziekten. Een sterke CD26 werking betekent een overactief immuunsysteem met verhoogde productie van cytokinen en het opsoeperen van energie (ATP). Stijging van de cytokinen staat in relatie met vermoeidheid. bron
(*) Immunologic abnormalities in Chronic Fatigue Syndrome. J Clin Microbiol 1990;28:1403-1410
DPP-IV en schizofrenie
Volgens Dohan (1980) is er een sterke correlatie tussen het consumeren van gluten en schizofrenie (R = 0,96). In 90% van de onderzochten werden tevens hoge β-Casomorphin 1-8 waarden aangetroffen, een exorfine uit melk.
DPP-IV/CD26 en diabetes type I
Diverse studies tonen aan dat er een direct verband is tussen het ontwikkelen van IDDM (Insulin-Dependent Diabetes Mellitus) en het consumeren van melk. bron
Dan komen we gelijk terecht bij een delicaat onderwerp, de zin en onzin van melk. Meer hierover kan u lezen op de volgende pagina: bron
Diabetes type I komt vooral voor bij kinderen voor de leeftijd van twee tot drie jaar. Men heeft ontdekt dat koeien die voornamelijk bètacaseïne A1 produceren de boosdoener zijn. Bètacaseïne is een onderdeel van het belangrijkste eiwit in melk, de caseïne. Welke versie van het eiwit koeien maken hangt af van hun genen. Een koeienras dat vaak het slechte eiwit A1 aanmaakt is de Friese Holstein. Die laatste koe is de bekende zwartbonte koe, en die is de laatste jaren steeds geliefder bij boeren geworden omdat hij zoveel melk produceert. Daardoor staan er in steeds meer stallen koeien die het gevaarlijke eiwit in hun melk afgeven. bron
Het verband tussen de lage prevalentie van diabetes type I in Ijsland kon verklaard worden door het feit dat de Ijslandse koeien voornamelijk bètacaseïne A2 in hun melk hebben en niet zozeer de toxische variant A1. bron
Net zoals met alle eiwitstructuren kunnen er antistoffen tegen DPP-IV gevormd worden. bron
|