Exorfinen
DPP-IV/CD26, het 'Moonlighting enzym'
Exorfinen bij baby's
β-casomorphin-7, een exorfine uit melk met serotonine verstoring



Exorfinen


De verschillende opioïde peptiden

Opioïde peptiden zijn korte ketens van aminozuren, waarbij een opioïde een stof is met een opium-achtige werking. Ze worden ingedeeld volgens oorsprong:

1. Opioïde peptiden van endogene oorsprong (lichaamseigen stoffen), dit zijn de endorfinen , enkefalinen en de dynorfinen.
2. Opioïde peptiden van exogene oorsprong (lichaamsvreemde stoffen), dit zijn de exorfinen met als oorsprong sommige voedingsstoffen en microbiëel.

Vooraleer exorfinen actief zijn worden de 'pre-exorfinen' uit voeding in de dunne darm geknipt door het pancreas elastase (enzym). Vervolgens worden de exorfinen in de bloedbaan binnen een tijdspanne van enkele minuten afgebroken door het enzym DPP-IV/CD26. Wanneer DPP-IV/CD26 niet-functioneel is stapelen de exorfinen zich in de weefsels op en spreken we van een accumulatie of excess. bron


indeling opioïde peptiden


Exorfinen zijn β-endorfine agonisten

De Mu opioide receptoren (MOR) zijn een groep receptoren met een hoge bindingscapaciteit voor opioïden. Er zijn twee soorten opioïden, de endogene en de exogene opioïden. De endogene opioïden met een affiniteit voor MOR zijn β-endorfine (hoogste affiniteit), enkefaline en dynorfine (laagste affiniteit). De exogene opioïden zijn de exorfinen, stofjes uit voeding - met een grotere affintiteit voor MOR dan β-endorfine - en opiaatdrugs. De exogene opioïden zijn β-endorfine agonisten of stoffen de werking van β-endorfine imiteren.

Vetrijke voeding

Studies bij ratten toonden aan dat wanneer deze werden geïnjecteerd met β-casomorphin 1-7 en waarbij ze konden kiezen tussen een vetarm en vetrijk dieet, deze laaste de voorkeur genoot. Volgens de onderzoekers is er een verband tussen de drang naar vetrijk voedsel (junkfood) en het ontwikkelen van obesitas met β-casomorphin 1-7, een exorfine uit melk. (bron 1 en 2)

Maagzuur remmend

Zowel de endogene als de exogene opioïde peptiden hebben een sterk remmend effect op de productie van maagzuur en vertragen het leegmaken van de maag naar de dunne darm. In het geval van een exorfine overbelasting komt hierdoor de vertering in de maag en de dunne darm in het gedrang. Wat veel mensen ervaren als een zure maag, is in feite een 'overwerkte' maag die een minder zuur milieu langere tijd nodig heeft om voedsel te verteren. De inhibitie van maagzuur ontstaat doordat de exorfinen het zink-dragende enzym voor de aanmaak van maagzuur uitschakelen.
De vrijgave van bepaalde enzymen in de dunne darm wordt bepaald door de zuurtedraag van de maaginhoud. Is deze inhoud te alkalisch worden de precursorsen (voorstoffen) die deze verteringsenzymen moeten aanzwengelen niet geactiveerd en ontstaat een onvolledige vertering, vooral van eiwitten. Hierdoor ontstaat een aminozuur tekort waardoor de aanmaak van neurotransmitters wordt verminderd. Het tekort aan secretine bij autisten wordt bijvoorbeeld veroorzaakt doordat de maagsappen onvoldoende zuur zijn.
Exorfinen dragen tevens bij tot het opgeblazen gevoel na een maaltijd (de maag vult zich met gassen).  bron    

Onthechting

Het aangename gevoel dat bij hechting ontstaat is een neurobiologische  feedback van de endorfinen op de mu-receptoren (hersenen) en dit als respons op een (veilige) emotionele gebeurtenis.  bron
Onthechting is na te bootsen in een laboratiorium. Bij een experiment met muizen werden de MU-receptoren van de muizen chemisch bezet. Als het jong en moeder werden gescheiden, zocht het jong de moeder niet op. (bron 1 en 2)


Meerdere bioactieve peptiden
bron



Referenties

- J.R. Cade et al,  Autism and schizophrenia linked to malfunctioning enzyme for milk protein digestion.
  Autism, Mar 1999.  
- Autism and Schizophrenia: Intestinal Disorders, Cade R et al. Nutritional Neuroscience, March 2000.
- Reichelt KL.  Biochemistry and psycholphisiology of autistic syndromes.  Tidsskr Nor Laegeforen 1994, 114(12):1432-4
- Reichelt KL et al, Biologically active peptide-containing fractions in schizophrenia and childhood autism.
- Willemsen-Swinkels SH, Buitelaar JK, Weijnen FG, Thisjssen JH, Van Engeland H.  Plasma beta-endorphin concentrations
  in people with learning disability and self-injurious and/or autistic behavior.  
- Br J Psychiary 1996; 168: 105-9; & Leboyer M, Launay JM et al.
- Difference between plasma N- and C-terminally directed beta-endorphin immunoreactivity in infantile autism.  Am J
  Psychiatry 1994; 151(12): 1797-1801.
Reichelt K.L, Peptides excretion coeliac disease, J. Pediatr. Gastroenterol. Nutr., 26,305-9,1998.


voorkomen van opioïde peptiden bij ASS (Reichelt K.L., Seim.R., Food protien dérived peptides as possible disease causing agents: Examples from schizophreni a and autism, Current Topics in Peptide & Protein Research, Vol3, 1999.)





DPP-IV/CD26, het 'Moonlighting enzym'



DPP-IV of Dipeptidyl peptidase-IV is het enzym dat de opioïde peptiden van exogene oorsprong (exorfinen) afbreekt en behoort tot de serine proteasen (aminopeptidase).  DPP-IV heeft een membraangebonden aanwezigheid en is aangetoond in lever, long, nier, darmslijmvlies, mond, lymfocyten, huid, prostaat en endotheelcellen. Ook een oplosbare extracellulaire vorm van DPP-IV is in de circulatie aangetoond en blijkt onverminderd enzymatisch actief. In de onderstaande tabel zijn een aantal catalytische functies van DPP-IV/CD26 weergegeven.  


Een aantal DPP-IV/CD26 functies (bron: CD26, let it cut or cut it down, prof. Ingrid De Meester,)


Andere benamingen voor DPP-IV zijn 'adenosine deaminase complexing protein 2' en CD26. CD staat voor  'cluster of differentiation' of 'cluster of designation' wat een protocol is voor de identificatie van moleculen op het celoppervlak van leukocyten (witte bloedcellen). CD moleculen kunnen zich gedragen als receptor of ligand (molecule die de receptor activeert). DPP-IV verandert in CD26 als het betrokken wordt bij de T-cel activatie in het immunologisch proces. T-lymfocyten (T-cellen) vormen een belangrijk onderdeel van het specifieke immuunsysteem (cellulaire immuunrespons). De functie van T-lymfocyten bestaat uit het herkennen van "niet lichaamseigen" antigenen. T-lymfocyten kunnen alleen antigenen herkennen als de antigenen als het ware "gepresenteerd" worden aan de T-lymfocyt, dit proces heet antigeen presentatie. Eenmaal de indringer geïdentificeerd is, gaan de T-lymfocyten deze vernietigen.

Kwik en DPP-IV


Absorptie van kwikdampen (longen) en organische kwik (maag-darm kanaal)
bron



Kwik is een van de meest potente DPP-IV remmers, vaak in combinatie met een tekort aan L-cysteïne, zink, vitamine B6/C en metallothioneïne. Bij een recent Amerikaans onderzoek naar de aanwezigheid van kwik in voedingsartikelen (55 merknamen), had de helft aantoonbare hoeveelheden kwik, waarvan sommige producten de dagelijkse toegelaten norm ruim overschreden. (bron 1, 2, 3 en 4)  
Als het lichaam het kwik niet (meer) kan elimineren, treden er compensatie mechanismen op. Een daarvan is het ontwikkelen van candida. Candida is een schimmel die van nature bij iedereen in de darm aanwezig is. Bij lichamelijke verzwakking, gebruik van antibiotica en ontstekingremmers verliest de darmflora zijn natuurlijke bescherming en hebben de schimmelcellen kans om zich te gaan uitbreiden. Candida is tevens een goede leverancier van metallothioneïne dat op zijn beurt het organische kwik kan elimineren. Candidacellen doen dit door kwik intracellulair op te gaan nemen. Bij gebruik van antimicotica (schimmelremmers) is het dan ook aanbevolen om het vrijgekomen kwik te obsorberen d.m.v. houtskool capsules, dit om een Herxheimer reactie te voorkomen.
Een andere potente DPP-IV remmer is te vinden bij de organofosfaten, de meest gebruikte pesticide in gewasbouw.

DPP-IV en wiegedood

Wiegedood of SIDS (Sudden Infant Death Syndrome) is de oorzaak van overlijden bij baby's tussen het einde van de eerste maand en een jaar. (Brooks 1982)
Onderzoek (Sun et al. 2003) toonde aan dat alle kinderen met wiegdood één kenmerk gemeen hebben, namelijk melk dat hun enige voedingsbron is. Bij de meeste baby's die overleden zijn aan SIDS werden hoge concentraties β-Casomorphin 7 (BCM-7) aangetroffen, BCM-7 is een van de opioïde peptiden uit melk die normaal gezien wordt geneutraliseerd door DPP-IV. Eenmaal BCM-7 de bloedbaan bereikt wordt het niet gehinderd door de bloed-hersen-barièrre omdat deze filter tegen ongewenste stoffen bij baby's nog niet (goed) werkt. BCM-7 gaat via de hersenstam (primitieve hersenen) (Pasi, Mahler, Lansel et al., 1993) het zenuwstelsel verstoren en kan een een ademhalingsdepressie of ademhalingsstilstand veroorzaken met de dood als gevolg.  BCM-7 kan via de moedermelk en niet-humane melk (Wilson, Self & Hamburger, 1990) doorgegeven worden.  bron

DPP-IV, slaapapneu en andere ademhalingsproblemen

Zoals we eerder zagen heeft β-Casomorphin 7 (BCM-7) een deprimerend effect op de ademhaling. Bij verschillende van onze cliënten met slaapapneu, maar ook met klachten zoals een 'stokkende' ademhaling zijn verhoogde BCM-7 waarden aangetroffen. De klachten verdwenen na een eliminatiedieet en suppletie met DPP-IV.

DPP-IV/CD26 en psoriasis

Psoriasis is gekenmerkt door een glutenovergevoeligheid en een DPP-IV/CD26 tekort. bron

DPP-IV/CD26 en CVS

Klimas et al. bv. meldden een significante uitbreiding van CD26 geactiveerde T-cellen bij CVS-individuen (*)  Deze multifunctionele molecule speelt een belangrijke rol bij de regulering, ontwikkeling, rijping en migratie van T-helper (Th) en ‘natural killer’ (NK) cellen.  Daarenboven wordt abnormale expressie van CD26 gevonden bij de meeste autoimmuun ziekten. Een sterke CD26 werking betekent een overactief immuunsysteem met verhoogde productie van cytokinen en het opsoeperen van energie (ATP). Stijging van de cytokinen staat in relatie met vermoeidheid. bron

(*) Immunologic abnormalities in Chronic Fatigue Syndrome. J Clin Microbiol 1990;28:1403-1410

DPP-IV en schizofrenie

Volgens Dohan (1980) is er een sterke correlatie tussen het consumeren van gluten en schizofrenie (R = 0,96). In 90% van de onderzochten werden tevens hoge β-Casomorphin 1-8 waarden aangetroffen, een exorfine uit melk.

DPP-IV/CD26 en diabetes type I

Diverse studies tonen aan dat er een direct verband is tussen het ontwikkelen van IDDM (Insulin-Dependent Diabetes Mellitus) en het consumeren van melk. bron
Dan komen we gelijk terecht bij een delicaat onderwerp, de zin en onzin van melk. Meer hierover kan u lezen op de volgende pagina: bron
Diabetes type I komt vooral voor bij kinderen voor de leeftijd van twee tot drie jaar. Men heeft ontdekt dat koeien die voornamelijk bètacaseïne A1 produceren de boosdoener zijn. Bètacaseïne is een onderdeel van het belangrijkste eiwit in melk, de caseïne. Welke versie van het eiwit koeien maken hangt af van hun genen. Een koeienras dat vaak het slechte eiwit A1 aanmaakt is de Friese Holstein. Die laatste koe is de bekende zwartbonte koe, en die is de laatste jaren steeds geliefder bij boeren geworden omdat hij zoveel melk produceert. Daardoor staan er in steeds meer stallen koeien die het gevaarlijke eiwit in hun melk afgeven. bron
Het verband tussen de lage prevalentie van diabetes type I in Ijsland kon verklaard worden door het feit dat de Ijslandse koeien voornamelijk bètacaseïne A2 in hun melk hebben en niet zozeer de toxische variant A1. bron


Net zoals met alle eiwitstructuren kunnen er antistoffen tegen DPP-IV gevormd worden. bron





Exorfinen bij baby's


Wiegedood

Wiegedood of SIDS (Sudden Infant Death Syndrome) is de oorzaak van overlijden bij baby's tussen het einde van de eerste maand en een jaar. (Brooks 1982)
Onderzoek (Sun et al. 2003) toonde aan dat alle kinderen met wiegdood één kenmerk gemeen hebben, namelijk melk dat hun enige voedingsbron is. Bij baby's die overleden aan SIDS werden hoge concentraties β-Casomorphin 7 (BCM-7), een exorfine aangetroffen.  bron  In Noorwegen is screening van de exorfinen bij borelingen een routine onderzoek .  
Bèta-caseïne (melk) wordt in de dunne darm door het eiwitsplitsende enzym pancreas elastase geknipt in BCM-7.   Vervolgens wordt BCM-7 in de bloedbaan geknipt door het enzym DPP-IV. Een pancreas insufficiëntie kan de symptomen van een DPP-IV deficiëntie, met name een exorfine overbelasting in zekere zin camoufleren.  Via de meting van het elastase in faeces kan de mate van pancreas insufficiëntie goed worden vastgesteld.
BCM-7 wordt niet gehinderd door de bloed-hersen-barièrre omdat deze filter tegen ongewenste stoffen bij baby's nog niet (goed) werkt. BCM-7 gaat via de hersenstam (primitieve hersenen) (Pasi, Mahler, Lansel et al., 1993) het zenuwstelsel verstoren en kan een een ademhalingsdepressie of ademhalingsstilstand veroorzaken met de dood als gevolg.  BCM-7 wordt meestal via niet-humane melk (Wilson, Self & Hamburger, 1990) doorgegeven.  bron


Daling van wiegedood in Nederland vooral door het opnieuw invoeren van moedermelk
bron


Kenmerken van een exorfine overbelasting bij baby's en peuters

Het is niet zo dat de kenmerken van een exorfine overbelasting eenduidend zijn. Sommige exorfinen werken sederend, andere zijn exciterend, weer andere veroorzaken gastro-intestinale problemen enz...
Vaak voorkomende symptomen zijn:

- reflux (overgeven), als dan niet projectiel
- veel huilen (door de darmkrampen)
- otitis media (oorontsteking)
- astma en andere longproblemen

Bètacaseïne A1

β-Casomorphin 7 wordt gevormd uit bètacaseïne A1 (zie onderstaande figuur).


Casomorphin 7 wordt gevormd uit bèta caseïne A1 en niet uit A2
bron


De concentratie hangt af van het desbetreffende koe ras, de Belgische/Nederlandse gevlekte en de Zeelandse koe heeft de meeste bètacaseïne A1. Vooral mannen zijn gevoelig voor bètacaseïne A1, wat overeenkomt met de metingen die we merken via labwaarden, met vier keer zoveel mannen als vrouwen met BCM-7.
β-Casomorphin 7 doet histamine vrijkomen en is daarbij afhankelijk van de beschikbare concentratie koper (Lodyga-Chruscinska et al 2000). In tegenstelling tot wat men vaak leest bevat zowel rauwe als gepasteuriseerde melk bètacaseïne A1. Casomorphins worden gevormd (door elastase enzymen) in het gastro-intestinaal kanaal door het knippen van de peptidestructuren (zie onderstaande figuur).
Een overzicht van de laatste research aangaande Bètacaseïne A1 en de desbetreffende ziektebeelden kan u op de volgende pagina terugvinden.  bron

Nonbarrier regions


bron 1 en 2


Slaapapneu

β-Casomorphin 7 heeft een deprimerend effect op de ademhaling. Bij verschillende van onze cliënten met slaapapneu, maar ook met klachten zoals een 'stokkende' ademhaling zijn verhoogde BCM-7 waarden aangetroffen. De klachten verdwenen meestal na een eliminatiedieet en suppletie met DPP-IV.

Referenties

Research on milk protein/heart disease link causes dispute. NutraIngredients.com, 16-9-2002.
Milk - A1 or A2? NutraIngredients.com, 12-3-2003.
Daneman D, Fishman L, Clarson C, Martin JM. Dietary triggers of insulin dependent diabetes in the BB rat. Diabetes Res 1987 Jun;5(2):93-7. PubMed
Elliott RB, Harris DP, Hill JP, Bibby NJ, Wasmuth HE. Type I (insulin-dependent) diabetes mellitus and cow milk: casein variant consumption. Diabetologia 1999 Mar;42(3):292-6. PubMed
Padberg S, Schumm-Draeger PM, Petzoldt R, Becker F, Federlin K. The significance of A1 and A2 antibodies against beta-casein in type-1 diabetes mellitus. Dtsch Med Wochenschr 1999 Dec 17;124(50):1518-21. PubMed
McLachlan CN. Beta-casein A1, ischaemic heart disease mortality, and other illnesses. Med Hypotheses 2001 Feb;56(2):262-72. PubMed
Laugesen M, Elliott R. Ischaemic heart disease, Type 1 diabetes, and cow milk A1 beta-casein. N Z Med J 2003 Jan 24;116(1168):U295. PubMed
Milk protein blamed for heart disease. BBC, 9-4-2001.





β-casomorphin-7, een exorfine uit melk met serotonine verstoring



Kleine kinderen slapen makkelijker in met een glas warme melk. Het onderliggende mechanisme is dat Casomorphin, de exorfinen uit melk (*) vrijwel onmiddellijk wordt opgenomen in de bloedbaan en daar gedurende ongeveer een kwartiertje tot een uur een licht verdovende werking uitoefent. Niet alle exorfinen - ook binnen de onderverdeling van de groep -  zijn verdovend, sommige hebben een exiterende functie. Bij muizen oefent Rubiscolin-5 (spinazie) alleen een stimulerend effect bij wijfjes.  β-casomorphin-7 is de meest potente Casomorphin ondanks Exorphin B5 (gluten) dat moleculair gezien 100 keer krachtiger is dan morfine.
β-casomorphin-7 heeft niets te maken met lactose of met een lactose intolerantie en alles met caseïne (**). Lactosevrije melk kan het probleem dus niet verhelpen.

(*) Melk bevat caseïnes en wei-eiwitten. Uit caseïnes worden door hydrolyse opioid agonisten gevormd als b-casomorphines en lactorphines (Froetschel, 1996). Peptiden die in wei voorkomen, zijn vaak opioide antagonisten (Pihlanto-Leppälä et al ., 1994).  Melk was de meest belangrijke bron van opioide peptiden, recent onderzoek heeft een nieuwe exorfine gevonden - Soymorphin uit soja - die krachtiger zou zijn dan melk.

(**) Caseïne is vooral van belang voor de beschikbaarheid van calcium en fosfaat uit melkproducten. Zonder de opname van caseïne vormen calcium en fosfaat in melk onoplosbare complexen en zijn om deze reden niet voor absorptie beschikbaar. Bij een Casomorphin overbelasting is melk dus geen bron van calcium, maar een bron van ergernis, aangezien de caseïne zich gaat nestelen in membraanorganen zoals de longen en het slijmvlies verhard. In de darmwand gaat het zich nestelen in het membraan waardoor er openingen of leaky gut kan ontstaan.

Casomorphin, een opioïde peptide uit melk (caseïne) is een histamine releaser en is sterk neurotoxisch. bron  
Een te hoge histamine concentratie wordt in verband gebracht met de neiging tot rituele handelingen, dwangmatig handelen en herhalingsgedrag.
Histamine staat in verband met allergieën. Als je de vrijgave van histamine kunt controleren, kun je in principe allergieën zoals hooikoorts, eczeem en astma aan de basis behandelen. (bron 1 en 2)
Opioïde peptiden van exogene oorsprong (voeding, bv. melk en gluten) dragen bij tot uitstelgedrag, verminderde immuniteit (waardoor meer voeding-intoleranties), auto-immuunziekten zoals diabetes en concurreren endorfine weg van de endorfine receptoren. β-casomorphin-7 is tevens een serotonine (*) receptor antagonist en wordt zoals alle opioïden doorgegeven via de moedermelk. (bron<)
Serotonine receptor antagonisten binden zich aan de neuron receptor, maar leiden niet tot activiteit. Ze blokkeren de toegang tot serotonine en gaan zo de werking van serotonine tegen.
In normale omstandigheden worden de opioïde peptiden afgebroken door het DPP-IV enzym complex. Bij ADD en ADHD zien we dat meer dan de helft een DPP-IV deficiëntie heeft, bij ASS is dit meer dan 90%. (zie verder)  
De gunstige psychologische effecten van een week sappenkuur is bij sommigen deels te verklaren door een vermindering van opioïde peptiden. De neurologische werking van de opioïde peptides is op een qEEG waar te nemen en kan via urineonderzoek gescreend worden.
Een opioïde peptiden overbelasting komt vaak voor bij patiënten met een psychiatrisch opname verleden (schizofrenie, psychose, borderline). Deze mensen zijn vaak geholpen een eliminatiedieet zonder opioïde peptiden. (voorbeeld)
β-Casomorphin-7 stimuleert de vrijgave van intestinale mucus (slijm) secretie in de darm met 500%. (bron 1 en 2)
Door een DPP-IV tekort kan de caseïne in melk (producten) niet worden afgebroken en wordt het darmslijmvlies sterk geïrriteerd, met onstekingen en leaky gut als mogelijke complicaties.

(*) Serotonine wordt ook wel het 'meester-molecuul' of 'politieagent van de hersenen' genoemd. Hiermee wordt aangegeven dat serotonine ook andere neurotransmitters reguleert. Het is de voornaamste regulator van dopamine en is betrokken bij endorfinen en noradrenaline.  Het is betrokken bij stemming, zelfvertrouwen, slaap, emotie, seksuele activiteit en eetlust. Het speelt ook een rol bij de verwerking van pijnprikkels (endorfinen). Serotonine zorgt ervoor dat bloedvaten vernauwen zodat er minder bloed aangevoerd wordt (Fox, 1996).

Serotonine

Exorfinen wijzigen de manier waarop het lichaam met serotonine, dopamine en endorfine omgaat, dit laatste vanwege de agonistische (concurerende) werking op endorfine receptoren die zowat overal in het lichaam voorkomen, ook in kankercellen. De exorfinen bezetting van endorfine receptoren op kankercellen schakelt het mechanisme uit dat kanker herkent. bron
Dit zou een verklaring kunnen waarom mensen met ADD, ADHD en ASS tot 100 keer meer kans hebben om bepaalde kankers (bv. darmkanker) te ontwikkelen.
Serotonine wordt voor 90% aangemaakt en opgeslagen in de darm (enterochromaffine cellen in de mucosa van de gastrointestinale tractus) tegenover 2% in de hersenen. Mensen met darmproblemen hebben vaak een serotonine tekort. Indien de darmproblemen gepaard gaan met een exorfinen overbelasting t.g.v. een DPP-IV tekort, funtioneren de serotonine receptoren in de hersenen minder goed.
De psychedelische drugs psilocin/psilocybin, DMT, mescaline, en LSD imiteren de actie van serotonin op de 5-HT2A receptoren.
β-casomorphin-7- is een (5-HT2) serotonine receptor antagonist. 5-HT2 staat voor het soort receptor. De 5-HT2 receptor is aanwezig op de gehele cerebrale frontale cortex en het zenuwstelsel. Virussen maken gebruik van neuronreceptoren om zich in de hersenen te verspreiden, een voorbeeld is het polyomavirus (bron) en het JC-virus.  bron


Serotonine in de synapsspleet


Functies van de 5-HT2A receptoren

- vasomotorische bewegingen (bloedvat vernauwing en verwijding)
- contracties in het gastrointestinaal trajct en bronchieën
- slaapkwaliteit (melatonine wordt verder ook geproduceerd uit serotonine)
- centraal zenuwstelsel: neurale exitatie, gedrag, leren en onrust
- serotonine speelt een belangrijke rol bij de hemostase (stoppen van een bloeding), voornamelijk door een
  versterkend effect op twee stoffen (adenosinedifosfaat en trombine) betrokken bij het stollen.
  SSRI's (antidepressiva) blokkeren de afgifte van serotonine uit de bloedplaatjes en blokkeren de opname van
  serotonine in bloedplaatjes. Dat leidt tenslotte tot bloedingsproblemen, met name door een verlenging van de
  bloedingstijd, wat zich onder andere kan uiten in blauwe plekken.
- verminderde 5-HT2A receptor functie verhoogt de kans op suicidaal gedrag.