Erfelijkheid en omgevingsfactoren
Aandoeningen ten gevolge van exorfinen-verstoringen noemt men MOR-gemedieerde aandoeningen. De MOR of mu opioïde receptor is de locatie waarop bèta-endorfine actief is. (hersenen, slokdarm, maag, darmkanaal, lymfocytrn, huid en kankercellen)
ADD, ADHD en ASS en andere
MOR-gerelateerde aandoeningen komen bijna niet voor in samenlevingen met een exorfinen-arme voeding. In Ethiopië en Somalie is (exorfinen-vrij) teffmeel de voornaamste bron van voeding. Zodra deze kinderen worden geconfronteerd met de Westerse (voedings) gewoonten, stijgt ook het aantal psychiatrische stoornissen. Vijfentwintig procent van de autistische kinderen in Minneapolis zijn van Somalische afkomst. (bron
1,
2 en
3) Dit fenomeen doet zich voor bij Somalische en Ethiopische kinderen in heel de wereld, behalve in hun geboorteland.
Hoewel ADD, ADHD en ASS geregeld in verband worden gebracht met allergieën, zijn de oorzaken iets genuanceerder. De vraag is waarom normale voedingstoffen voor de een wel en voor de ander geen probleem vormen. Met andere woorden, wat zijn de verstorende factoren die ervoor zorgen dat normale voedingsstoffen problematisch worden? Dat niet iedereen gevoelig is voor deze factoren, heeft onder meer te maken met HLA-predispositie (het soort HLA-type) en omgevingsfactoren. HLA-moleculen zijn antigenen die ervoor zorgen dat het organisme lichaamseigen en lichaamsvreemde stoffen van elkaar onderscheidt. Bovendien beschikt het over een soort van geheugen om normale voedingsstoffen te herkennen. Zonder dit herkenningsmechanisme zou het lichaam antistoffen aanmaken tegen zichzelf en normale voedingsstoffen. HLA-typen hebben dus een programmatie die bepaalt op welke manier het immuunsysteem reageert. Professor Vodjani toonde aan de programmatie van sommige HLA-typen die zich richten tegen gluten en caseïne, afhankelijk is van een tweede factor (omgevingsfactor). Deze - xenobiotische (lichaamsvreemde) - factoren zijn bijvoorbeeld kwik, gewasbeschermers en antibiotica.
Als gevolg van deze HLA-activering maakt het lichaam antistoffen (IgG, IgM en IgA) aan tegen gluten en caseïne, ethylkwik (vaccins), antibiotica en het CD26-enzym. Normaal gezien moet het CD26-enzym (de immunologische versie van het DPP-IV enzym) bescherming bieden, maar omdat er ook antistoffen worden aangemaakt tegen het CD26-enzym, valt deze bescherming weg. Als gevolg van de CD-26 enzym onderdrukking, hechten de antistoffen zich aan de lymfocyten-receptors om op deze manier een immunologische cascade in gang te zetten. Omdat dit allemaal vrij technisch is, komt het samengevat hierop neer: het DPP-IV en het CD26- enzym worden door bepaalde stoffen in hun activiteit geremd, waardoor normale voeding plots een probleem wordt en diverse immunologische en neurologische problemen tot gevolg hebben. Dit mechanisme wordt door diverse experts (Professor Vodjani: studie
1,
2 en
3) gezien als de belangrijkste oorzaak van ADD, ADHD, ASS en (auto) immuunziekten.
Mensen met specifieke (genetisch bepaalde) HLA-typen hebben ontzettend veel pech dat ze leven in een maatschappij die hun belast met factoren die het HLA-type tot uitdrukking brengen (kwik, gewasbeschermers, antibiotica) en waar tarwe en melkproducten de belangrijkste voedingsproducten zijn. Vermoedelijk komt autisme om deze reden bijna niet voor in Somalië, maar wel bij Somalische kinderen in andere delen van de wereld.
Andere complicaties van de HLA-typen zijn de auto-immuunreacties. Hierbij gaat het organisme lichaamseigen weefsel verwarren met eiwtten van gluten (gliadine) en melk (caseïne), en wordt lichaamseigen weefsel aangevallen. Al naargelang het doel weefsel/orgaan spreken we dan van klassiek autisme, diabetes type I, coeliakie, de ziekte van Crohn, reumatische arthritis of andere auto-immuunziekten.
Dr. William Shaw, een wereldexpert op het gebied van autisme, beschrijft in zijn laatste boek (biological treatments for autism and PDD) dat het BMR-vaccin of 3-in-1-vaccin en diverse andere vaccins, de activiteit van het DPP-IV-enzym met 95% remmen. De stof die hiervoor verantwoordelijk zou zijn, is gehydroliseerde gelatine. In orale toediending wordt het in de dunne darm afgebroken in aminozuren, maar via intraveneuze toediening ontstaan er problemen. Gehydroliseerde gelatine dient om het vaccin langere tijd te kunnen bewaren in de koelkast. Ethylkwik, een ander bewaarmiddel in vaccins, inhibeert dan weer de werking van de metallothioneïne eiwitten. Dit zijn een groep van eiwitten en enzymen die ons beschermen tegen zware metalen, schimmel/gist overlast en oxidatieve stress. Ze beschermen ook de activiteit van bèta-endorfine. Tot de metalloenzymen behoren ook het DPP-IV (CD26) enzym, de vitamine B12 afhankelijke enzymen en twee heel belangrijke oxidatieve stress vangers: superoxide dismutase en glutathione peroxidase. Men treft ook kwik aan in amalgaamvullingen, vis, spaarlampen, geneesmiddelen, aambeizalven, ontsmettingsmiddelen (mercurychroom) en in talrijke gecontamineerde voedingsproducten.
Zo te zien wordt het DPP-IV (CD26) enzym vanuit diverse invalsshoeken belaagd. Het nare aan kwik is dat het zich opstapelt in vetweefsel (de hersenen bestaan voor 60% uit vet). De halfwaardetijd van ethylkwik bedraagt 20 jaar, de tijd die nodig is om voor 50% afgebroken te worden. In vergelijking, het gemiddeld antidepressivum wordt afgebroken in minder dan 24 uur. Het probleem met kwik (*) is dat het na een paar weken niet meer te meten is omdat het zich nestelt in vetweefsel (historische kwikbelasting). Onderzoeken die willen aantonen dat kwik uit vaccins netjes 'verdwijnt', hebben het nooit over deze factor. Kwik wordt zeer snel opgenomen in de placenta. (Grandjean et al, 2006) In de volgende
studie worden verschillende DPP-IV remmers besproken. Niet-biologische voeding is de DPP-IV remmer bij uitstek. Organofosfaten, de meest gebruikte gewasbeschermers in de landbouw, remmen het DPP-IV-enzym met maar liefst 100%. Kopersulfaat, de meest toegepaste schimmelbestrijder in de druiventeelt/wijnbouw en bij de teelt van meloenen en bessen, is een sterke DPP-IV remmer. Reden genoeg om biologische voeding ernstig te nemen. Het gaat om meer dan wat vitaminen en mineralen. In feite zijn deze wel-en-niet-bio discussies een handige manier om niet te praten over de essentie van de zaak. Chemische rommel drukt de kostprijs van een product, maar zorgt voor een stijging van de ziektekosten.
(*) Een overzicht van de vaccins die ethylkiwk bevatten (
bron). Tevens een selectie van studies die het verband leggen tussen ethylkwik (vaccins), methylkwik (amalgaam en vis), psychiatrische stoornissen en andere aandoeningen (
1,
2,
3,
4,
5,
6,
7,
8,
9,
10,
11 en
12)
Auto-immuniteit en ASS
Recente studies suggereren dat familiale auto-immuniteit een rol speelt in het ontstaan van autisme spectrum stoornissen. Een Deens onderzoek in 2009 gaf het eerste wetenschappelijke bewijs dat moeders met een auto-immuunziekte (diabetes type 1, coeliakie en reumatoïde artritis) 70% meer kans maken op een kind met ASS. Opvallend is dat deze auto-immuun aandoeningen worden gekenmerkt door een bèta-endorfine deficiëntie en ongewenste gluten/caseïne (melkeiwit) reacties. Vermoedelijk hebben andere auto-immuun aandoeningen ook invloed op het ontstaan van ASS. Volgens professor Vodjani is ASS een auto-immuun aandoening. |
Interactieve genen
'Psychiatrische stoornissen blijken te ontstaan door een genetische predispositie, waarvan de invloed op het gedrag alleen dan tot uiting komt, wanneer er sprake is van specifieke omgevingsfactoren. Of omgekeerd geredeneerd, omgevingsfactoren leiden alleen dan tot psychiatrische stoornissen wanneer er een bepaalde genetische aanleg is. Genen en omgeving zijn dus onderling afhankelijk en zijn op dagelijkse basis met elkaar in interactie.' (tijdschrift voor psychiatrie 50(2008)12, 771-780)
Niet de genen op zich bepalen of psychiatrische aandoeningen tot ontwikkeling komen, maar een ingewikkeld samenspel tussen genen en omgeving. Genetische factoren spelen weliswaar een zeer belangrijke rol, echter de eenduidige, lineaire gedachte dat de aanwezigheid van een enkel gen het ontstaan van een ziekte veroorzaakt, is te eenvoudig gebleken. De meeste genetisch bepaalde aandoeningen blijken polygenetisch en multifactorieel, dat wil zeggen dat de genencomplexen in permanente interactie zijn met omgevingsinvloeden.
Het genoom of totaal aantal genen van de mens bedraagt 30.000 genen. Een gen wordt (al dan niet) tot expressie gebracht (fenotype of epigenetische toestand) zonder dat hierbij het DNA van het gen wijzigt. De studie die zich bezighoudt met de factoren die de expressie van het genoom beïnvloeden met tot doel het epigenoom (het totaal van alle genexpressies) in kaart te brengen, noemt men de epigenetica. Bijvoorbeeld iemand met een fenotype waarbij gluten de darmwand beschadigd (coeliakie, gluten-sensitieve enteropathie, ziekte van Crohn) is geholpen met een glutenvrij dieet. In dit geval is gluten de gen-omgevingsinteractie-factor (epigenetische factor) die de ziekte in stand houdt. Door middel van DNA-onderzoek kan men nu al - hetzij in beperkte mate - analyseren welke geneesmiddelen en voedingstoffen al dan niet geschikt zijn voor de patiënt. Het diagnose- en behandeltraject wordt op deze manier efficiënter. |
2. Omgevingsfactoren: dit zijn factoren uit de fysieke omgeving die invloed uitoefenen op het epigenoom (verzameling van de factoren die de expressie van de genen wijzigen) en dit bij 'early onset' (jongere leeftijd) als 'late onset' (oudere leeftijd). ADD symptomen kunnen zich vanuit deze optiek evengoed ontwikkelen na de leeftijd van 7 tot zelfs 30 jaar.
Volgens Professor Frits Muskiet - hoogleraar pathofysiologie - zijn we perfect aangepast aan de omgeving, maar we hebben in nog geen 200 jaar deze omgeving drastisch veranderd. Dat heeft geleid tot een conflict tussen ons oeroude genoom (de som van het erfelijk materiaal van de mensheid) en die nieuwe omgeving. (
bron).
Tarwe is met meer dan 23.500 verschillende eiwitten en een genoom dat 5 keer omvangrijker is als dat van de mens, een van de meest complexe voedingsstoffen. (
1,
2 en
3) Tarwe en in het bijzonder gluten (gliadine) worden in verband gebracht met een aanzienlijk deel van de epigenoom- en immuunproblematiek. Auto-immuun ziekten zoals autisme ontstaan onder meer doordat voedingsantistoffen een kruisreactie aangaan met en zich richten tegen lichaamseigen weefsel. Professor Vodjani beschreef in
2003 en
2004 voor het eerst dit degeneratieve proces waarbij gluten, caseïne en ethylkwik (griepvaccins) betrokken zijn. De klassieke reguliere onderzoeken die de immunologische reacties ten gevolge van gluten meten (IgE, IgA), brengen minder dan 1% van de totale gluten overgevoeligheidsproblematiek in kaart. De patiënt krijgt door deze dunne logica een misleidend veiligheidgevoel met het in stand houden van de gen-omgevingsinteractie-factor en dito ziekteverloop tot gevolg. In dit geval
gluten-sensitieve-enteropathie.
De ongewenste reacties op gluten zijn overwegend van niet-immunologische aard maar veroorzaken daarentegen complicaties met immunologische gevolgen. Zoals de verstoring van de bèta-endorfine huishouding (
exorfinen) en beschadiging van de darmwand. Echter zonder de klassieke symptomen: coeliakie kenmerken, diarree en magerzucht. Een aanzienlijk deel van onze cliënten krijgen niet zozeer te maken met voeding gerelateerde fysieke klachten, dan wel met de psychische klachten.
3. Pathologische factoren: er zijn meer dan 300 medische toestanden die - los van een erfelijke predispositie - ADD/ADHD en (atypische) ASS symptomen tot gevolg kunnen hebben. 70% van de kinderen met schildklierproblemen beantwoorden aan de AD(H)D criteria. (
bron).
Prenatale contaminatie door stress en xenobiotische stoffen (chemische stoffen, geneesmiddelen, milieu) met inbegrip van de premature geboorten. In Amerika wordt een op acht kinderen prematuur geboren (bevalling voor 37 weken), dit zijn meer dan een half miljoen babies per jaar. (
bron) Desondanks de anti-rook en anti-alcohol campagnes voor zwangere vrouwen is er sprake van een toename van 36% ten opzichte van 1980.
Stress, de immunosuppressieve factor. Zowat alle onderzoeken bevestigen dat stress een belangrijke factor is die invloed heeft op het psychisch en lichamelijk functioneren. Aanhoudende belastende stress verhoogt cortisol (stresshormoon) en daarmee is stress een van de meest potente ziektemakers die we kennen. Meer cortisol betekent meer voedselovergevoeligheden en allergieën, meer oxidatieve stress, meer depressie en vijf keer minder metallothioneïnen, dit zijn eiwitten die instaan voor de verwijdering van zware metalen en andere xenobiotica. Bovendien is de gevoeligheid voor stress groter bij kinderen van moeders die tijdens de prenatale periode moe of depressief waren of moeite hadden met prikkel- en stressverwerking.
Methylfenidaat, het ADHD middel bij uitstek verhoogtt de cortisol concentratie, terwijl MDMA (Ecstasy of XTC) een cortisol stijging van 800% tot gevolg heeft.