Voeselovergevoeligheden schematische samenvatting
Deze samenvatting geeft een beknopte omschrijving van de voedselovergevoeligheden problematiek weer. De gedetailleerde informatie, bronvermeldingen en wetenschappelijke abstracten/referenties aangaande dit onderwerp staan op de volgende pagina:
Inhoud
1. Overgevoeligheden
1.1. Definitie
2. Voedselovergevoeligheden
2.1. Definitie
2.2. Kenmerken van immunologische voedselovergevoeligheden
2.3. Voedselintoleranties
2.4. Immuniteit begint voor de geboorte
2.5. Vragen en antwoorden
3. Neurologische ziektebeelden t.g.v. voedselovergevoeligheden
3.1. IgG antistoffen en neurologische ziektebeelden
3.2. Cytokines en neurologische ziektebeelden
4. Andere ziektebeelden ten gevolge van voedselovergevoeligheden
4.1. ASS
4.2. Astma
4.3. Zwaarlijvigheid
4.4. IgG allergieën en het prikkelbare darm syndroom
4.5. IgG en migraine
4.6. Cytokines en middenoor-ontsteking
5. Copyright en disclaimer
1. Overgevoeligheden
1.1. Definitie
Professor dr. Roy Gerth van Wijk, hoogleraar Allergologie aan het Erasmus MC in Rotterdam formuleert een overgevoeligheid als: “ Een overgevoeligheid veroorzaakt objectief reproduceerbare symptomen en verschijnselen, opgewekt door blootstelling aan een scherp omschreven stimulus in een dosis die getolereerd wordt door normale personen”. (afbeelding 1)
(afbeelding 1) De recente definitie van overgevoeligheden volgens Professor dr. Roy Gerth van Wijk.
2. Voedselovergevoeligheden
2.1. Definitie
De term voedselovergevoeligheden is de verzamelnaam van alle ongewenste reacties ten gevolge van voeding: (afbeelding 2)
De term Ig betekent Immuunglobuline of antistof die wordt gevormd als reactie tegen de voedingstof.
A. de immunologische voedselovergevoeligheden: voedselallergieën (IgE, IgG, IgA)
B. de niet-immunologische voedselovergevoeligheden: voedselintoleranties (vaak verward met IgG allergieën)
(afbeelding 2) De verschillende soorten voedselovergevoeligheden en hun aandeel bij de neurologische ziektebeelden
2.2. Kenmerken van immunologische voedselovergevoeligheden
A. IgE antistoffen:
- meestal aangeduid met de term voedselallergie
- minder dan 1,5 % van de immunologische voedselovergevoeligheden zijn IgE gemedieerd
- reacties binnen de twee uur, rode ogen, loopneus, niezen, gezwollen neusslijmvlies, moeilijke en soms piepende ademhaling, huidveranderingen: roder worden, warmte afgeven, jeuk
- de symptomen van een IgE voedselallergie worden veroorzaakt door de afgifte van histamine:
B. IgG antistoffen:
- meestal aangeduid met de (verkeerdelijke) term voedselintoleranties
- meer dan 95% van de immunologische voedselovergevoeligheden zijn IgG gemedieerd
- reacties na zes uur tot zes dagen
- de symptomen zijn meestal niet lichamelijk te merken, soms: opgezwollen buik, buikpijn, winderigheid, huiduitslag, oedeem
- de meeste symptomen doen zich voor op neurologisch gebied
- geen histamine afgifte
C. IgA antistoffen:
- doen zich voor ter hoogte van de darmwand, met laaggradigde micro-ontstekingen en leaky gut tot gevolg (lekkende darm)
- meestal ten gevolge van gluten
2.3. Voedselintoleranties
Voedselintoleranties zijn ongewenste niet-immunologische reacties ten gevolge van voeding. De oorzaak is een probleem met het enzym dat deze voedingstoffen moet omzetten in andere stoffen. De meest voorkomende voedselintoleranties zijn:
- lactose-intolerantie: volgens diverse bronnen tussen de 2 en 20% van de bevolking. Lactose is melksuiker.
- fructose-intolerantie: volgens diverse bronnen tussen de 2 en 20% van de bevolking. Fructose komt voor in fruit en in bijna alle gezoete dranken en gerechten (fructose van maïs)
- exorfinen-intolerantie: meer dan 90% van de mensen met ADD/ADHD, ASS, endogene depressie en vermoeidheidssyndromen hebben een exorfinen-intolerantie (intern onderzoek via urineanalyse, 250 deelnemers, Poort/Brainq). Exorfinen zijn endorfine-agonisten (stoffen die de werking van bèta-endorfine belemmeren)
2.4. Immuniteit begint voor de geboorte
Immuniteit is een complexe samenhang van verschillende processen en stofjes die ervoor zorgen dat indringers en ziekten het lichaam moeten beschermen. Bij baby's is de immuniteit bij de geboorte nog niet ontwikkeld.
Het immuniteitsevenwicht wordt uitgedrukt met de term 'Th1/Th2' balans. T-helpercellen (Th) zijn een vorm van witte bloedcellen die een belangrijke rol spelen in het immuunsysteem. Th-cellen geven verschillende soorten cytokines af, dit zijn signaalstoffen die de immuniteit reguleren en die als bijwerking hebben dat ze hersenactiviteit en andere processen verstoren.
Het evenwicht tussen Th1 en Th2 wordt onder meer gereguleerd door bèta-endorfine, een stof die gemakkelijk weggeconcurreerd wordt door de exorfinen, dit zijn voedingstofjes die worden aangetroffen in koemelk en moedermelk. Exorfinen zijn alleen een probleem als bij de baby het DPP-IV/CD26 enzym om de exorfinen uit te schakelen niet actief is (koemelk). Exorfinen kunnen ook doorgegeven worden door humane melk als de moeder geen actief DPP-IV/CD26 enzym heeft en exorfinen consumeert.
Na verloop van een vijftigtal weken na de geboorte, wijzigt het Th2 profiel geleidelijk naar het Th1 profiel onder invloed van de beschikbaarheid van bèta-endorfine. Een verlaagde bèta-endorfine respons heeft een verlaagde Th1 en verhoogde Th2 activiteit tot gevolg.
Kinderen die dit proces niet doormaken zullen allergisch worden. De reden waarom bepaalde kinderen niet naar het Th1 of niet-allergisch profiel evolueren kan onder meer verklaard worden doordat de concurrentie werking van de exorfinen op bèta-endorfine.
Vereenvoudigd voorgesteld zorgt een verminderde Th1 respons voor chronische ontstekingen en kanker. Een overactieve Th2 respons zorgt voor allergieën en diverse (auto) immuunaandoeningen zoals autisme.
2.5. Vraag en antwoord
1. Bij een allergie spreken we alleen van een IgE reactie, al de andere zijn niet-allergieën.
Onjuist. Er zijn diverse soorten voedselallergieën (IgE, IgG en IgA). Meestal bedoelt men hiermee dat als er geen histamine-reactie is, er geen sprake is van een allergie. Verwarring van immunologische terminolgie is een wijdverspreid zeer in de geneeskunde.
2. Een intolerantie is een immunologische voedselovergevoeligheid.
Onjuist. Een voedselintolerantie heeft te maken met een lage drempelwaarde en een niet-activiteit van het desbetreffende enzym.
3. Lactosevrije melk (producten) bevatten geen caseïne.
Onjuist. Lactose is de melksuiker, caseïne is het melkeiwit.
4. Geiten- en schapenmelk bevat geen caseïne.
Gedeeltelijk juist. Deze melksoorten bevatten minder caseïne.
5. Lactose-intolerantie is de meeste voorkomende intolerantie.
Onjuist. Exorfinen-intolerantie is de meeste verspreide intolerantie.
6. Een voedselallergie zie je direct.
Onjuist. Minder dan 1,5% van de voedselallergieën zijn fysiek zichtbaar. Het overige deel hebben vooral te maken met fysiologische en neurologische symptomen.
7. Met voedselallergieën en intoleranties wordt men geboren.
Gedeeltelijk juist. De aanleg om voedselovergevoelighedne te ontwikkelen is aangeboren. Of men deze al dan niet ontwikkelt heeft vooral te maken met omgevingsfactoren, leefwijze en eetpatronen.
3. Neurologische ziektebeelden ten gevolge van voedselovergevoeligheden
3.1. IgG antistoffen en neurologische ziektebeelden
Het immuunsysteem kan intens reageren op voedingsbestanddelen door de vrijgave van histamine. Deze immuunreactie is een gevolg van IgE antistoffen. Het immuunsysteem kan ook op een andere manier reageren, namelijk door de vorming van IgG antistoffen. De IgG antistoffen worden normaliter gevormd als beschermingsmechanisme bij bacteriële infecties. Bij een IgG voedselallergie ontstaan IgG antistoffen tegen diverse voedingsstoffen, deze antigeen-antistof-complexen worden vervolgens door het lichaam afgebroken. Bij deze afbraak ontstaan inflammatoire stoffen, zoals prostaglandinen, leukotriënen en cytokinen, dit proces is als zodanig vergelijkbaar met een ontstekingsproces (chronische inflammatoire respons).
Onderzoekers van de Universiteit Maastricht hebben een nieuwe, unieke eigenschap van het IgG4-antistof ontdekt, een kruisreactie die leidt tot het ontstaan van (auto) imuuun gerelateerde aandoeningen zoals bijvoorbeeld autisme.
In tegenstelling tot IgE kan IgG geen histamine vrijmaken. In de plaats daarvan ontstaan inflammatoire responsen. Een daarvan is de 'low-grade systemic inflammatory respons'. Hierbij komen wat men noemt 'proinflammatoire cytokines' vrij.
3.2. Cytokines en neurologische ziektebeelden
Iedereen kent het verlies van energie en het down gevoel als men een flinke griep doormaakt. De stoffen die hiervoor verantwoordelijk zijn, worden cytokinen genoemd. Cytokines zijn chemische boodschappers binnen het immuun systeem die ook communiceren ook met cellen uit andere systemen zoals het zenuwstelsel en de hersenen.
Cytokines en hun respectievelijke fysiologische/psychologische symptomen
Op deze manier zijn de cytokines stoffen die de homeostase (regulatie van de interne omgeving met tot doel een intern en stabiel evenwicht te behouden) mogelijk maken. Per cel kunnen afhankelijk van het type receptor 1.000 tot 50.000 receptoren voor één cytokine voorkomen. Dit verklaart waarom cytokinen al in zeer geringe hoeveelheden biologische activiteit vertonen.
De neurologische symptomen van cytokinen worden veroorzaakt door een interactie tussen het inflammatoire respons systeem (IRS) en de HPA-as (hypothalamus-hypofyse-bijnieras). Eerder is al gebleken dat depressie gepaard gaat met toegenomen activiteit of hyperfunctie van de HPA-as, terwijl er bij CVS aanwijzingen zijn voor een verminderde activiteit.
De HPA-as (schematisch)
Cytokines zijn een onopgehelderd mysterie omdat ze complexe en verwarrende interacties aangaan:
Een aantal biologische eigenschappen die kenmerkend zijn voor cytokinen:
1. een cytokine heeft vaak meerdere werkingen op verschillende cellen in het lichaam
2. verschillende cytokinen hebben vaak overlappende werkingen
3. door een cel wordt meestal tegelijkertijd meer dan één cytokine geproduceerd
4. het komt vaak voor dat twee cytokinen elkaars werking tegengaan dan wel juist elkaars werking sterk verhogen
5. cytokinen kunnen vaak de expressie van hun eigen receptor aan het celoppervlak veroorzaken
6. een cytokine veroorzaakt vaak de productie van een ander cytokine
Cytokines komen vrij onder de volgende omstandigheden:
1. inflammatoire (viraal, bacteriëel) en fungale respons (gisten, schimmels)
2. afbraak van IgG antisttoffen (voedselovergevoeligheden)
3. fysieke (trauma, hartaanval...) en psychologische stress (aanhoudend en belastend)
4. endogene en immuungerelateerde depressie
5. oxidatieve stress en een verminderde detoxratio
6. verlaagde bèta-endorfine respons
De afgifte van cytokines bij depressie en chronische vermoeidheid
Ziektebeelden en toestanden waarbij cytokines een belangrijke rol spelen:
- kanker
- laaggradige en chronische onstekingen
- leaky gut
- darmontstekingen
- endogene en immuungerelateerde depressie
- CVS, MCS, fibromyalgie
- serotonine, adrenaline en dopamine problemen
- verminderde doeltreffendeheid van antidepressiva
- suicidaal gedrag
- verslaving
- bipolaire stoornis
- schizofrenie
- ADD, ADHD en ASS
- angst- en dwangstoornissen
- sociale fobie
- posttraumatische stressstoornis (PTSS)
4. Andere ziektebeelden ten gevolge van voedselovergevoeligheden
Lange tijd is voeding gezien als het nuttigen van voedingsstoffen om de lichaamsprocessen in stand te houden. Dat voeding zoveel meer met zich meebrengt begint langzaam in diverse onderzoeken duidelijk te worden.
4.1. ASS
Tot voor kort werd aangenomen dat voedselovergevoeligheden zijn aangeboren. Dit verklaringsmodel volstaat niet om de dramtische toename van allergische klachten bij kinderen én volwassenen te verklaren. In 2003 werd het eerste wetenschappelijke bewijs geleverd dat het directe verband aantoonde tussen ethylkwik (bv. griep- en andere vaccins), gluten en caseïne (melkeiwit) en het enzym DPP-IV/CD26 als oorzaak van diverse overgevoeligheidsreacties en het ontstaan van (auto) immuunziekten. Deze baanbrekende studie die in feite de huidige ASS epidemie deels verklaart, heeft de media nooit bereikt. In Groot-Brittannië heeft 1 kind op 68 ASS. Onderstaand een fragment uit deze studie:
We, therefore, propose that bacterial antigens (SK), dietary peptides (gliadin, casein) and thimerosal (ethyl mercury) in individuals with pre-disposing HLA molecules, bind to CD26 or CD69 and induce antibodies against these molecules. In conclusion, this study is apparently the first to demonstrate that dietary peptides, bacterial toxins and xenobiotics bind to lymphocyte receptors and/or tissue enzymes, resulting in autoimmune reaction in children with autism.
4.2. Astma
Op 1 oktober 2004 promoveerde Petra Eysink op het proefschrift getiteld ‘The role of IgG and IgE in the development of allergy and asthma. A study in young children in general practice’ aan de Universiteit van Amsterdam.
In deze studie is de relatie tussen IgG (intolerantie) tegen voedingsmiddelen en IgE (allergie) tegen inhalatieallergenen onderzocht bij kinderen in een huisartsenpopulatie. Tevens zijn andere voorspellers voor een inhalatieallergie onderzocht. Er werd onderzocht of voedingintoleranties (IgG) een indicator zijn voor een verhoogde kans op het ontwikkelen van een inhalatieallergie of een relatief sterke (maar op zichzelf niet-ziekmakende) immunologische reactie tegen voedingsmiddelen vaker wordt gevonden bij kinderen die later een allergie voor huisstofmijten en/of huisdieren ontwikkelen. In deze studie is een sterke relatie aangetoond tussen atopie (de aanleg allergieën te ontwikkelen) en voedingintoleranties (IgG).
De belangrijkste bevindingen van het onderzoek:
- vrijwel alle kinderen die voor hun 4e jaar astma ontwikkelen hebben later recidiverende luchtwegklachten
- kinderen met verschillende voedingintoleranties (verhoogde IgG-antistofwaarden tegen voedingsmiddelen) hebben een hoger risico op het ontwikkelen van IgE tegen inhalatieallergenen dan kinderen met lage IgG-antistofwaarden
4.3. Obesitas
In het onderzoek van Wilders-Truschnig aan de Universiteit van Graz heeft men dit door voedingsallergie gedreven proces aangetoond door middel van metingen van CRP en TNF-α. Dit laatste heeft de mogelijkheid de tyrosine kinase receptor te blokkeren zodat insuline zijn effectiviteit verliest, wat kan leiden tot overgewicht. De oorzaak van dit proces lag in de IgG voedselallergie. Het veranderen van het voedingspatroon leidde tot een afname van zowel CRP, TNF-α, insuline en het overgewicht.
4.4. IgG allergieën en het prikkelbare darm syndroom
Het prikkelbare darm syndroom (PDS), vroeger ook wel 'spastische dikke darm' of 'spastisch colon' genoemd, heet in het Engels 'irritable bowel syndrome' (IBS). PDS valt onder de zogenaamde functionele buikklachten en is de meest voorkomende chronische darmstoornis. Ongeveer 8% van de Nederlandse bevolking heeft PDS, waarvan 75% vrouwen.
Dé oorzaak van PDS is nog niet bekend. We hebben binnen onze praktijk verschillende cliënten met PDS laten screenen door diverse labtesten. Hierbij komen we tot de volgende resultaten (zie onderstaand schema):
In een evidence based studie naar de relatie PDS en IgG titers (concentratie antistoffen), had de groep die 12 weken lang trouw een anti-IgG dieet volgde een reductie van de klachten met 24%.
In deze studie werd de pre-occupatie van de Mu opioïde receptoren door andere factoren dan de bindingscapaciteit van bèta-endorfine onderzocht. Bij PDS zijn de Mu opioïde receptoren bezet door exorfinen i.p.v. bèta-endorfine.
4.5. IgG en migraine
In een evidence based studie waarbij 88 kinderen met migraine deelnamen, waren 93% van de kinderen migrainevrij na het volgen van een oligoantigenisch dieet (= vermijden van de allergenen).
4.6. Cytokines en middenoor-ontsteking
De combinatie van twee cytokinen (IL-6 en TNF-α) komt drie keer meer voor bij kinderen met middenoorontsteking.
5. Copyright De Poort/BrainQ©: niets uit deze publicatie mag zonder schriftelijke toestemming gepubliceerd of gebruikt worden voor openbaar of commerciëel gebruik. BrainQ© is een gepatendeerde merknaam.
Disclaimer: de informatie op deze website is bestemd voor persoonlijke, niet-commerciële en louter informatieve doeleinden en is niet bedoeld als vervanging van het advies, diagnose en/of behandeling van een arts.
|