ADD, ADHD en ASS zijn - biologisch gezien - syndromen of symptoomclusters ten gevolge van uiteenlopende toestanden met diverse psychologische, neurologische, endocrinologische en immunologische kenmerken. Deze stoornissen gaan gepaard met andere klachtenpatronen zoals depressie, angsten, verlaagde prikkel- en stresstolerantie, vermoeidheid en hypergevoeligheid.
Onderzoek wijst uit dat mensen met ADD/ADHD, ASS en andere immuun gerelateerde aandoeningen verstoringen hebben in de  bèta-endorfine en DPP-IV/CD26 enzym huishouding. De functionaliteit van bèta-endorfine wordt 'beschermd' door het DPP-IV enzym dat de receptor die bèta-endorfine aanmaakt (mu opioïde receptor) vrijwaart van exorfinen uit voeding. Exorfinen hebben - net zoals morfine ook doet - de eigenschap deze receptoren te blokkeren. Door onze fastfood levenswijze (brood, pasta, pizza) wordt zowat zestig procent van onze dagelijkse calorieen aangeleverd door tarwe (samen met caseïne de voornaamste exorfinen leverancier), door rijst en mais. (**)
Bèta-endorfine is een immuunmodulerende stof en is onder meer betrokken bij de vrijgave van dopamine, maagzuur secretie en slokdarm reflex, darmperistaltiek, bloedcirculatie,  geheugeninprenting, adaptief en lerend gedrag, het ervaren van vreugde en voldoening, motivatie (tegenover uitstelgedrag), regulatie van aandacht, sociale hechting, zelfsturing en emotieregulering, REM slaap en melatonine secretie, stress reductie, relaxatie, pijnmodulatie en zingeving. Een tekort verhoogt de kans op verslavingen en dwangmatig gedrag. Endorfinen hebben een anti-aging effect door het vrijkomen van SOD (Superoxide Dismutase ter vookoming van oxidatieve stress) en remmen de groei van kankercellen.
De oorzaken van ADD, ADHD, ASS en andere bèta-endorfine gerelateerde aandoeningen (met name de 'mu opioide receptor' verstoringen) zijn een combinatie van verschillende factoren:


1. Erfelijke factoren: ADD/ADHD en ASS worden vanuit de klassieke geneeskunde geprofileerd als 'erfelijke aandoeningen'.  In het geval van de huidige explosieve toename en mondiale verspreiding van ADD/ADHD en ASS zou de term 'pandemie' hier allicht meer op zijn plaats zijn. Echter bij een pandemie is geen sprake van gewijzigd DNA, maar van een besmettingsbron. Erfelijke aandoeningen daarentegen blijven min of meer stabiel in een populatie. Volgens professor Vodjani - een wereldvermaarde immunoloog gespecialiseerd in ADD/ADHD en ASS - zijn niet de genen, maar de factoren die de werking van deze genen beïnvloeden (gen-omgevingsinteractie-factoren) de laatste decennia gewijzigd.


Auto-immuniteit en ASS


Recente studies suggereren dat familiale auto-immuniteit een rol speelt in het ontstaan van autisme spectrum stoornissen. Een Deens onderzoek in 2009 gaf het eerste wetenschappelijke bewijs dat moeders met een auto-immuunziekte (diabetes type 1, coeliakie en reumatoïde artritis) 70% meer kans maken op een kind met ASS. Opvallend is dat deze auto-immuun aandoeningen worden gekenmerkt door een bèta-endorfine deficiëntie en ongewenste gluten/caseïne (melkeiwit) reacties. Vermoedelijk hebben andere auto-immuun aandoeningen ook invloed op het ontstaan van ASS. Volgens professor Vodjani is ASS een auto-immuun aandoening.



Interactieve genen


'Psychiatrische stoornissen blijken te ontstaan door een genetische predispositie, waarvan de invloed op het gedrag alleen dan tot uiting komt, wanneer er sprake is van specifieke omgevingsfactoren. Of omgekeerd geredeneerd, omgevingsfactoren leiden alleen dan tot psychiatrische stoornissen wanneer er een bepaalde genetische aanleg is. Genen en omgeving zijn dus onderling afhankelijk en zijn op dagelijkse basis met elkaar in interactie.' (tijdschrift voor psychiatrie 50(2008)12, 771-780)

Niet de genen op zich bepalen of psychiatrische aandoeningen tot ontwikkeling komen, maar een ingewikkeld samenspel tussen genen en omgeving. Genetische factoren spelen weliswaar een zeer belangrijke rol, echter de eenduidige, lineaire gedachte dat de aanwezigheid van een enkel gen het ontstaan van een ziekte veroorzaakt, is te eenvoudig gebleken. De meeste genetisch bepaalde aandoeningen blijken polygenetisch en multifactorieel, dat wil zeggen dat de genencomplexen in permanente interactie zijn met omgevingsinvloeden.
Het genoom of totaal aantal genen van de mens bedraagt 30.000 genen. Een gen wordt (al dan niet) tot expressie gebracht (fenotype of epigenetische toestand) zonder dat hierbij het DNA van het gen wijzigt. De studie die zich bezighoudt met de factoren die de expressie van het genoom beïnvloeden met tot doel het epigenoom (het totaal van alle genexpressies) in kaart te brengen, noemt men de epigenetica. Bijvoorbeeld iemand met een fenotype waarbij gluten de darmwand beschadigd (coeliakie, gluten-sensitieve enteropathie, ziekte van Crohn) is geholpen met een glutenvrij dieet. In dit geval is gluten de gen-omgevingsinteractie-factor (epigenetische factor) die de ziekte in stand houdt. Door middel van DNA-onderzoek kan men nu al - hetzij in beperkte mate - analyseren welke geneesmiddelen en voedingstoffen al dan niet geschikt zijn voor de patiënt. Het diagnose- en behandeltraject wordt op deze manier efficiënter.


2. Omgevingsfactoren:  dit zijn factoren uit de fysieke omgeving die invloed uitoefenen op het epigenoom (verzameling van de factoren die de expressie van de genen wijzigen) en dit bij 'early onset' (jongere leeftijd) als 'late onset' (oudere leeftijd). ADD symptomen kunnen zich vanuit deze optiek evengoed ontwikkelen na de leeftijd van 7 tot zelfs 30 jaar.
Volgens Professor Frits Muskiet - hoogleraar pathofysiologie -  zijn we perfect aangepast aan de omgeving, maar we hebben in nog geen 200 jaar deze omgeving drastisch veranderd. Dat heeft geleid tot een conflict tussen ons oeroude genoom (de som van het erfelijk materiaal van de mensheid) en die nieuwe omgeving. (bron).

Tarwe is met meer dan 23.500 verschillende eiwitten en een genoom dat 5 keer omvangrijker is als dat van de mens, een van de meest complexe voedingsstoffen. (1, 2 en 3) Tarwe en in het bijzonder gluten (gliadine) worden in verband gebracht met een aanzienlijk deel van de epigenoom- en immuunproblematiek. Auto-immuun ziekten zoals autisme ontstaan onder meer doordat voedingsantistoffen een kruisreactie aangaan met en zich richten tegen lichaamseigen weefsel. Professor Vodjani beschreef in 2003 en 2004 voor het eerst dit degeneratieve proces waarbij gluten, caseïne en ethylkwik (griepvaccins) betrokken zijn. De klassieke reguliere onderzoeken die de immunologische reacties ten gevolge van gluten meten (IgE, IgA), brengen minder dan 1% van de totale gluten overgevoeligheidsproblematiek in kaart. De patiënt krijgt door deze dunne logica een misleidend veiligheidgevoel met het in stand houden van de gen-omgevingsinteractie-factor en dito ziekteverloop tot gevolg. In dit geval gluten-sensitieve-enteropathie.
De ongewenste reacties op gluten zijn overwegend van niet-immunologische aard maar veroorzaken daarentegen complicaties met immunologische gevolgen. Zoals de verstoring van de bèta-endorfine huishouding (exorfinen) en beschadiging van de darmwand. Echter zonder de klassieke symptomen: coeliakie kenmerken, diarree en magerzucht. Een aanzienlijk deel van onze cliënten krijgen niet zozeer te maken met voeding gerelateerde fysieke klachten, dan wel met de psychische klachten.

3. Pathologische factoren: er zijn meer dan 300 medische toestanden die - los van een erfelijke predispositie - ADD/ADHD en (atypische) ASS symptomen tot gevolg kunnen hebben. 70% van de kinderen met schildklierproblemen beantwoorden aan de AD(H)D criteria. (bron).  



Prenatale contaminatie door stress en xenobiotische stoffen (chemische stoffen, geneesmiddelen, milieu) met inbegrip van de premature geboorten. In Amerika wordt een op acht kinderen prematuur geboren (bevalling voor 37 weken), dit zijn meer dan een half miljoen babies per jaar. (bron)  Desondanks de anti-rook en anti-alcohol campagnes voor zwangere vrouwen is er sprake van een toename van 36% ten opzichte van 1980.

Stress, de immunosuppressieve factor.  Zowat alle onderzoeken bevestigen dat stress een belangrijke factor is die invloed heeft op het psychisch en lichamelijk functioneren. Aanhoudende belastende stress verhoogt cortisol (stresshormoon) en daarmee is stress een van de meest potente ziektemakers die we kennen. Meer cortisol betekent meer voedselovergevoeligheden en allergieën, meer oxidatieve stress, meer depressie en vijf keer minder metallothioneïnen, dit zijn eiwitten die instaan voor de verwijdering van zware metalen en andere xenobiotica. Bovendien is de gevoeligheid voor stress groter bij kinderen van moeders die tijdens de prenatale periode moe of depressief waren of moeite hadden met prikkel- en stressverwerking.
Methylfenidaat, het ADHD middel bij uitstek verhoogtt de cortisol concentratie, terwijl MDMA (Ecstasy of XTC) een cortisol stijging van 800% tot gevolg heeft.


  Bèta-endorfine en (borst) kanker

Gedurende de vorming van een beginnende tumor van een paar kubieke milimeters groot (ongeveer een miljoen kankercellen) heeft een tumor geen extra voeding nodig. Zodra het gezwel uitbreidt, zijn er angiogenetische factoren nodig, deze vormen de nieuwe bloedvaten en voorzien de tumor van zuurstof, energie en bouwstoffen om verder te kunnen groeien. Morfine en exorfinen  stimuleren de angiogenetische factoren, zodat de tumor kan groeien. Dit wordt mogelijk gemaakt door bepaalde receptoren op de kankercellen te 'misleiden', met name de MOR of mu opioïde receptoren. Deze MOR reguleren de expressie bèta-endorfine en bevinden zich in de hersenen, ruggenmerg, maag-darmkanaal, huid en lymfocyten. Bèta-endorfine wordt aangemaakt in de hypofyse.  De MOR signaaloverdracht van bèta-endorfine op de kankercellen belet de ontwikkeling van angiogenese, dat als een soort 'kanker-herkenningssignaal' werkt. Exorfinen hebben een bindingskracht tot de MOR die 40 tot 200 keer sterker is dan morfine. Daarmee bevorderen exorfinen - meer dan morfine - de vorming van angiogenese. Hetzelfde mechanisme doet zich onder meer voor bij prostaatkanker, testeskanker, darmkanker, longkanker en pancreaskanker. (**)
Borstkanker kan men opsporen door middel van een mammografie. Het probleem is dat de kanker zich reeds heeft gevormd en chemotherapie moet worden ingezet. Een meer preventieve benadering is het onderzoeken van de kankergroei stimulerende factor (exorfinen onderzoek).  Het stimuleren van de bèta-endorfine productie en een exorfinen-vrij dieet is derhalve kankerpreventief.




Het PNI-qEEG of het Psych-Neuro-Immunologisch kwantitatief elektro-encefalogram is een diepteanalyse van de hersenactiviteit met betrekking tot bepaalde processen - bijvoorbeeld: stress, exorfinen en bèta-endorfine werking - en geeft onder meer informatie over de cerebrale subtypes van ADD, ADHD en ASS. Tevens kan het herstelproces via objectieve parameters worden opgevolgd en bijgestuurd. Stress en de als gevolg neuro-endocrinologisch systeem belasting (corticale inhibitie en facilitatie ratio) zijn goed waarneembaar door middel van een PNI-qEEG en EMG (huidspanning). In tegenstelling tot het 19-punt qEEG - dat eerder tot doel heeft een neurofeedback protocol op te stellen - geeft het PNI-qEEG belangrijke informatie over fysiologische processen met neurologische gevolgen.


Exorfinen zijn voedingsstoffen (gluten, caseïne) die in normale omstandigheden onmiddellijk worden afgebroken door (DPP-IV) enzymen in aminozuren. Door diverse dysfuncties van de DPP-IV enzymen blijven de exorfinen hun activiteit behouden en verstoren ze de receptoren die instaan voor de aanmaak van bèta-endorfine. Deze stof is zowel actief als neurotransmitter (hersenen) en hormoon (bloedbaan) en reguleert diverse neurologische, hormonale, immunologische en emotionele processen.  Exorfinen worden gemeten door middel van een urineonderzoek, terwijl de neurologische gevolgen van een exorfinen excess meetbaar zijn via een PNI-qEEG.


Lucas Flamend is ADD en HF-ASS ervaringsdeskundige, verpleegkundige, orthomoleculair therapeut en heeft negen jaar ervaring op het gebied van ADD, ADHD, ASS, depressie en immuun gerelateerde ziektebeelden (CVS, fibromyalgie, allergieën, eetstoornissen, voedselovergevoeligheden) en is grondlegger van de PNI-qEEG geïntegreerde therapie. Zijn praktijk bevindt zich in Joure (NL) en Lier (België).


Lucas Flamend werkt samen met psychiater Age Smilde, ADHD-specialist in Friesland en Noord-Nederland.  Integrale psychiatrie is een wereldwijd groeiende beweging waarbij, kort samengevat, complementaire en alternatieve geneeswijzen (CAG) in de reguliere psychiatrie worden geïntegreerd, op basis van wetenschappelijk onderzoek naar veiligheid en effectiviteit.

De informatie op deze website is bestemd voor persoonlijke, niet-commerciële en louter informatieve doeleinden en is niet bedoeld als vervanging van het advies, diagnose en/of behandeling van een arts.





Kwalitatieve glutenvrije bloem zonder tarwezetmeel met de smaak van gewoon brood: wit brood en bruin brood

Geschikt voor het bakken van brood, muffins, brioches, stokbrood, cake, beignets, wafels, pannekoeken en koekjes. De meest prijsgunstige glutenvrije bloem. Sinds eind 2009 op de markt.  

ADD, ADHD, ASS, autisme, aandacht, concentratie, leerproblemen, aandachtsproblemen, cortisol, bijnier moeheid, stress, ritalin, rilatine, concerta, immuniteit, vermoeidheid, depressie ADD, ADHD, ASS, autisme, aandacht, concentratie, leerproblemen, aandachtsproblemen, cortisol, bijnier moeheid, stress, ritalin, rilatine, concerta, immuniteit, vermoeidheid, depressie ADD, ADHD, ASS, autisme, aandacht, concentratie, leerproblemen, aandachtsproblemen, cortisol, bijnier moeheid, stress, ritalin, rilatine, concerta, immuniteit, vermoeidheid, depressie